Het najaar
in de jaren zestig had zijn eigen ritme. Geen drukke agenda’s, geen scrollende
schermen – enkel de natuur die ons vertelde dat het tijd was om te oogsten. De
lucht rook fris, met dat typische mengsel van vochtige aarde en vallende
bladeren. En achter bijna elk huis lag een moestuin, groot of klein, want
zelfvoorzienend zijn was toen niet hip… het was gewoon nodig.
Einde
september, begin oktober: patattentijd. Een woord dat warmte oproept,
zoals vandaag ‘zomerbarbecue’ dat doet. Wanneer de ochtenddauw nog op de
bladeren lag, trokken de mensen met hun rieken naar de tuin. De rieken – van
dat zware, degelijke staal, het hout mooi glad gesleten door jaren gebruik –
verdwenen diep in de grond. Met een stevige ruk wipte je een pol aardappelen
los, de donkere aarde openbrekend alsof ze een schat prijs gaf.
Daar kwamen
ze tevoorschijn: die geelbruine knollen, soms groot als vuisten, soms piepklein
en krom, maar allemaal met dezelfde belofte – een winter zonder honger. De
kunst was om ze ongeschonden uit de grond te halen. “Pas op voor de
riekpunten,” zei vader altijd. Een prik in een patat was zonde, want dan kon je
hem niet meer bewaren. En als er één ding belangrijk was, was het wel dat de
voorraad goed bleef tot in het voorjaar.
Iedereen
hielp mee. Kinderen
bogen zich over de kluiten, rapend alsof het om gouden eieren ging. Moeder
stond klaar met een zinken emmer, en de oudere buurman – altijd in hemdsmouwen
– vertelde hoe het vroeger nóg harder werken was. De grond onder je nagels, de
geur van aarde aan je handen… het hoorde erbij.
En dan, als
de laatste mand gevuld was, begon het mooiste ritueel: het verbranden van
het patattenkruid. Grote hopen werden opgestapeld en aangestoken. Het
knetterde en smeulde, dikke rookpluimen kringelden de herfstlucht in. Voor
kinderen was dat bijna een feest – dansen rond het vuur, ogen prikkend van de
rook, wangen roodgloeiend van de hitte.
Maar het
echte geheim kwam pas daarna: de patatten in de as. Zodra het vuur
teruggebracht was tot roodgloeiende resten, werden er aardappelen tussen
gestopt. Zo eenvoudig, zo puur: de rook, het vuur, de geur… en dan wachten tot
ze gaar waren. Geen boter, geen saus – gewoon even de zwarte schil openkraken,
een snuifje zout erop en dan… hemel op aarde. Zo’n smaak krijg je niet
in een frietkot, niet in een sterrenrestaurant. Dat was het najaar: simpel,
eerlijk, verbonden met de natuur.
Anno 2026 –
Waar is die eenvoud gebleven?
Vandaag ziet
het er heel anders uit. De meeste tuinen zijn grasvlaktes, keurig gemaaid door
robotmaaiers. De patatten komen uit plastic zakken in de supermarkt, glad,
gewassen en vaak zelfs al voorgekookt. De geur van natte aarde? Die kennen de
kinderen nog amper.
Toch is er
een stille comeback van het oude gevoel. Mensen die terug een moestuin
beginnen, vaak in bakken op het terras. Workshops “zelf oogsten”, volkstuintjes
die vol leven zitten. Maar eerlijk? Het mist nog iets. Het mist het rauwe van
vroeger: die koude ochtenden met dampende adem, het gevoel van harde arbeid,
het samen lachen als er een ‘monsterpatat’ bovenkomt.
En dat
verbranden van het patattenkruid? Dat mag al lang niet meer – te veel rook, te
veel regels. De as-aardappelen hebben plaatsgemaakt voor barbecue met
alu-folie, en zelfs dát vinden sommigen al te veel werk.
Toch… als je
goed kijkt, zie je dat verlangen. Mensen die even offline willen, die het
contact met de natuur missen. Misschien moeten we het gewoon weer doen: een
stukje grond omspitten, een riek in de aarde, patatten planten. Niet omdat het
moet, maar omdat het goed voelt. Omdat het ons herinnert aan een tijd waarin
geluk in kleine dingen zat – in het vinden van een mooie aardappel en het
proeven van de herfst in een hap zwarte schil en zout.
Want soms, anno 2026, is dat net wat we nodig hebben: terug naar de eenvoud, al is het maar voor één dag.




