woensdag 5 augustus 2026

Nostalgie moment => Najaar in de jaren zestig – De geur van geroosterde patatten

Het najaar in de jaren zestig had zijn eigen ritme. Geen drukke agenda’s, geen scrollende schermen – enkel de natuur die ons vertelde dat het tijd was om te oogsten. De lucht rook fris, met dat typische mengsel van vochtige aarde en vallende bladeren. En achter bijna elk huis lag een moestuin, groot of klein, want zelfvoorzienend zijn was toen niet hip… het was gewoon nodig.

Einde september, begin oktober: patattentijd. Een woord dat warmte oproept, zoals vandaag ‘zomerbarbecue’ dat doet. Wanneer de ochtenddauw nog op de bladeren lag, trokken de mensen met hun rieken naar de tuin. De rieken – van dat zware, degelijke staal, het hout mooi glad gesleten door jaren gebruik – verdwenen diep in de grond. Met een stevige ruk wipte je een pol aardappelen los, de donkere aarde openbrekend alsof ze een schat prijs gaf.

Daar kwamen ze tevoorschijn: die geelbruine knollen, soms groot als vuisten, soms piepklein en krom, maar allemaal met dezelfde belofte – een winter zonder honger. De kunst was om ze ongeschonden uit de grond te halen. “Pas op voor de riekpunten,” zei vader altijd. Een prik in een patat was zonde, want dan kon je hem niet meer bewaren. En als er één ding belangrijk was, was het wel dat de voorraad goed bleef tot in het voorjaar.

Iedereen hielp mee. Kinderen bogen zich over de kluiten, rapend alsof het om gouden eieren ging. Moeder stond klaar met een zinken emmer, en de oudere buurman – altijd in hemdsmouwen – vertelde hoe het vroeger nóg harder werken was. De grond onder je nagels, de geur van aarde aan je handen… het hoorde erbij.

En dan, als de laatste mand gevuld was, begon het mooiste ritueel: het verbranden van het patattenkruid. Grote hopen werden opgestapeld en aangestoken. Het knetterde en smeulde, dikke rookpluimen kringelden de herfstlucht in. Voor kinderen was dat bijna een feest – dansen rond het vuur, ogen prikkend van de rook, wangen roodgloeiend van de hitte.

Maar het echte geheim kwam pas daarna: de patatten in de as. Zodra het vuur teruggebracht was tot roodgloeiende resten, werden er aardappelen tussen gestopt. Zo eenvoudig, zo puur: de rook, het vuur, de geur… en dan wachten tot ze gaar waren. Geen boter, geen saus – gewoon even de zwarte schil openkraken, een snuifje zout erop en dan… hemel op aarde. Zo’n smaak krijg je niet in een frietkot, niet in een sterrenrestaurant. Dat was het najaar: simpel, eerlijk, verbonden met de natuur.

Anno 2026 – Waar is die eenvoud gebleven?

Vandaag ziet het er heel anders uit. De meeste tuinen zijn grasvlaktes, keurig gemaaid door robotmaaiers. De patatten komen uit plastic zakken in de supermarkt, glad, gewassen en vaak zelfs al voorgekookt. De geur van natte aarde? Die kennen de kinderen nog amper.

Toch is er een stille comeback van het oude gevoel. Mensen die terug een moestuin beginnen, vaak in bakken op het terras. Workshops “zelf oogsten”, volkstuintjes die vol leven zitten. Maar eerlijk? Het mist nog iets. Het mist het rauwe van vroeger: die koude ochtenden met dampende adem, het gevoel van harde arbeid, het samen lachen als er een ‘monsterpatat’ bovenkomt.

En dat verbranden van het patattenkruid? Dat mag al lang niet meer – te veel rook, te veel regels. De as-aardappelen hebben plaatsgemaakt voor barbecue met alu-folie, en zelfs dát vinden sommigen al te veel werk.

Toch… als je goed kijkt, zie je dat verlangen. Mensen die even offline willen, die het contact met de natuur missen. Misschien moeten we het gewoon weer doen: een stukje grond omspitten, een riek in de aarde, patatten planten. Niet omdat het moet, maar omdat het goed voelt. Omdat het ons herinnert aan een tijd waarin geluk in kleine dingen zat – in het vinden van een mooie aardappel en het proeven van de herfst in een hap zwarte schil en zout.

Want soms, anno 2026, is dat net wat we nodig hebben: terug naar de eenvoud, al is het maar voor één dag.