vrijdag 24 juli 2026

Nostalgie moment => De Pastoor Paquaylaan

 

waar de pinten vloeiden, de platen speelden en de herinneringen bleven hangen

Weet ge nog… dat ge de Pastoor Paquaylaan eigenlijk al hoorde voor ge ze zag?

Nog voor ge de eerste cafédeur voorbijging, wist ge dat er iets te doen was. Ge hoorde de stemmen op straat, het gelach dat door de open deuren naar buiten kwam, de muziek van een jukebox die ergens binnen speelde en het geluid van mensen die gewoon samen waren. Overdag was het een gewone laan, een straat zoals zoveel andere straten. Maar zodra de avond viel, veranderde alles. Dan kreeg de Pastoor Paquaylaan een eigen leven.

De naam zelf kwam van pastoor Jan-Berchmans Paquay, een man die veel betekende voor de parochie en voor de mensen uit de streek. Een ernstige naam, een naam met geschiedenis. Maar wie de laan vroeger gekend heeft, weet dat het daar allesbehalve stil of streng aan toe ging. De Pastoor Paquaylaan was een plaats waar mensen kwamen om te genieten, om elkaar te ontmoeten, om even alles te vergeten.

Het was de plek waar een gewone avond zomaar kon veranderen in een nacht waar ge jaren later nog over praatte.

Ge begon dikwijls met hetzelfde voornemen: “Ik drink er maar eentje.” Dat was de zin die iedereen kende.

Ge ging met kameraden op stap, of ge trok er met uw lief naartoe, gewoon om iets te drinken en wat bij te praten. Maar die ene pint bleef zelden alleen. Voor ge het wist, waart ge een café verder. Daarna nog eentje. En nog eentje.

De Pastoor Paquaylaan telde vroeger maar liefst zestien cafés. Zestien plaatsen waar iedereen zijn vaste plek had, waar ge mensen kende en waar ge altijd wel iemand tegenkwam die ge lang niet gezien had. De deuren stonden open, de geur van sigarettenrook en bier hing in de lucht en overal hoorde ge dezelfde geluiden: glazen die tegen elkaar tikten, stoelen die verschoven en mensen die luid lachten omdat ze het gewoon goed hadden.

En ja, de vloeren plakten soms een beetje. Maar niemand vond dat erg.

Een cafévloer die plakte, hoorde erbij. Dat was het bewijs dat er volk geweest was. Dat er gedronken was. Dat er gedanst was. Dat er verhalen waren ontstaan.

En natuurlijk hoorde daar ook eten bij.

Wie een avond op de Paquaylaan doorbracht, passeerde vroeg of laat langs een frituur. Die geur alleen al kon u terugbrengen naar vroeger. Ge stond daar te wachten terwijl de frieten uit de ketel kwamen, warm en krokant, en ge kreeg uw pak friet mee in zo’n papieren zak.

Dan kwam dat houten stokje.
Dat kleine prikske waar ge uw frieten mee oppikte.

Ge prikte er eentje uit, trok hem rustig door de mayonaise en stak hem in uw mond. Simpel eigenlijk, maar op zo’n moment smaakte dat als iets bijzonders. Misschien omdat ge daar stond met vrienden. Misschien omdat ge niet gehaast was. Misschien omdat ge wist dat zulke avonden vanzelf voorbijgingen en ge er daarom extra van genoot.

En als ge met uw lief of met iemand speciaal daar liep, dan gebeurde het altijd wel eens dat die zei: “Geef mij ook eens eentje.”

Die had misschien zelf frieten kunnen kopen, maar dat ene frietje van uw pak smaakte toch altijd beter. Dat waren kleine dingen. Maar het waren juist die kleine dingen die ge onthield.

De Pastoor Paquaylaan was trouwens niet alleen bekend bij de mensen van hier. Van heinde en ver kwamen ze afgezakt omdat iedereen erover sprak.

Er reden bussen met volk naar de laan. Studenten kwamen vanuit Leuven, Antwerpen en zelfs Brussel. Ze hadden allemaal hetzelfde gehoord: “Ge moet eens naar de Paquaylaan gaan.”

En zo liep daar een mengeling rond van mensen die elkaar eigenlijk niet kenden. Maar dat duurde meestal niet lang. Na een paar pinten zat ge met iemand te praten alsof ge elkaar al jaren kende.

Het maakte niet uit waar ge vandaan kwam. Of ge nu in de mijn gewerkt had of nog studeerde, iedereen stond daar gewoon samen. De ene met een verhaal, de andere met een mop, maar iedereen met hetzelfde doel: een goeie avond beleven.

In bijna elk café stond een jukebox.

Zo eentje die ge niet zomaar voorbijliep. Die stond daar te blinken alsof hij bij het interieur hoorde. Voor een paar frank kon ge uw plaat kiezen. Ge moest wel snel zijn, want er stond altijd iemand achter u te wachten. Elvis…. Roy Orbison…. Cliff Richard… of Will Tura.

De muziek begon en plots keek iedereen wat rond. Wie zat daar? Wie keek terug? Wie lachte?

Een avond op de Paquaylaan draaide niet alleen om drinken. Het draaide om mensen ontmoeten.
Een schoudertik.
“Komt ge dansen?”
En soms stond iemand recht.
Dan begonnen twee mensen te dansen op een vloer die al duizenden verhalen had meegemaakt. Een pint stond ergens op tafel. De schoenen schoven over de vloer. Er werd gelachen. Er werd gezongen. En sommige momenten bleven gewoon hangen.

Café Mimosa was zo een plek waar ge altijd volk vond.

Moeder en de zussen van Ludo Krawinkel stonden achter den toog en kenden de mensen die binnenkwamen. Ze wisten wie gewoon kwam voor de gezelligheid en wie misschien iets te lang bleef plakken.

De vader hield alles in de gaten. Een grote, stevige man waar iedereen respect voor had. Als hij eens naar voren kwam, hoefde hij niet veel te zeggen. Eén blik was genoeg.

Maar de volgende ochtend stond hij er weer.
Want dat was ook de andere kant van die tijd.
Na een lange nacht moest er gewerkt worden. Glazen wassen, tafels afkuisen, alles weer klaarzetten.
Feesten hoorde erbij, maar verantwoordelijkheid ook.

Met de kermis veranderde de hele laan.

Dan was de Pastoor Paquaylaan niet meer gewoon een straat waar de cafés lagen. Dan werd het een plaats waar iedereen naartoe trok. De hele buurt kwam buiten en de laan kreeg een andere sfeer. Overal stonden lichtjes te branden, de foorkramen stonden netjes opgesteld en de muziek van de attracties mengde zich met de stemmen van de mensen die rondliepen.

Ge rook de kermis nog voor ge ze zag. Die typische geur van versgebakken oliebollen, warme frieten, suikerspinnen en snoepgoed hing tussen de huizen. Voor kinderen was het een wereld vol verwondering. Ze trokken aan de hand van hun ouders en wilden overal tegelijk naartoe. Nog één keer op de molen, nog één keer naar de botsauto’s, nog één keer proberen om een prijs te winnen aan de schietkraam.

Voor de volwassenen was het evenzeer feest. Mensen kwamen elkaar tegen, bleven staan voor een praatje en maakten tijd voor elkaar. Een pint in de hand hoorde erbij. De cafés zaten voller dan ooit en wie buiten kwam, stond eigenlijk meteen weer midden in de drukte van de kermis.

De hele laan leefde.

De woonwagens en de kramen stonden langs beide kanten van de straat. Tussen al die lichtjes en geluiden liep iedereen door elkaar. Oude bekenden kwamen elkaar tegen, jongeren ontdekten de vrijheid van een avond weg van huis en gezinnen genoten samen van de sfeer.

Er was altijd wel iets te beleven. Bij de schietbarak probeerde iemand koste wat kost die roos te raken. Niet alleen voor de prijs, maar ook om te kunnen zeggen dat hij het gehaald had. Bij de botsauto’s reed iedereen kriskras door elkaar en werd er harder gelachen dan dat er echt gereden werd. En bij de rups hoopten de jongeren natuurlijk dat het doek naar beneden ging, want dat maakte het allemaal net wat spannender.

Het waren geen ingewikkelde dingen, maar juist daarom waren ze zo mooi. Een avond op de kermis betekende gewoon samen buiten zijn, lachen, kijken en genieten van het moment.

Wanneer de avond viel en de lichten van de foor feller begonnen te schijnen, kreeg de Pastoor Paquaylaan iets bijzonders. De kleuren weerkaatsten tegen de ramen van de huizen en de muziek vulde de straat. Het leek alsof de laan even helemaal van iedereen was.

Kinderen, jongeren, ouders, grootouders, studenten en mensen die van ver kwamen; iedereen liep door elkaar. Niemand keek op de klok. Niemand had haast om naar huis te gaan. Er was altijd nog wel iemand om tegen te komen, nog een verhaal om te vertellen of nog een pint om samen te drinken.

Dat was de kracht van die tijd. Mensen hadden elkaar nodig voor hun plezier. Ze kwamen niet samen via een scherm of een berichtje. Ze kwamen gewoon samen op straat, in een café of aan de kermiskraam.

De Pastoor Paquaylaan kreeg door de jaren heen soms een slechte naam. Er werd gesproken over de drukte, het lawaai en de cafés die tot laat open waren. Ouders maakten zich zorgen en de pastoor keek soms met een strenge blik naar al dat vertier.

Maar wie er echt geweest is, weet dat er ook veel warmte zat in die plaats.
Natuurlijk kwamen er mannen om naar vrouwen te kijken en werd er geflirt. Maar meestal was het gewoon zoals het leven toen was: mensen die praatten, samen dronken, dansten en plezier maakten. Een hand vasthouden, een dansje vragen, misschien een kuske geven. Het ging vooral om ontmoeten en samen beleven.
De laan was niet perfect, maar ze had een hart.
En dan kwam er langzaam een andere tijd

De cafés verdwenen één voor één. De deuren waar vroeger zoveel mensen binnen en buiten gingen, bleven dicht. De muziek van de jukeboxen maakte plaats voor stilte. De vloeren die ooit plakkerig waren van duizenden avonden plezier, kregen geen nieuwe verhalen meer.

Ook de frituren en kleine handelszaken die bij het leven van de laan hoorden, verdwenen stilaan. De geur van frieten die vroeger door de straat trok, werd een herinnering.

De cinema Patria, ooit een plek waar mensen samenkwamen voor een filmavond, verdween ook uit het straatbeeld. Eerst kwamen er andere bestemmingen, daarna werd het stiller.
De straat veranderde.
De mensen veranderden.
De tijd ging verder.

Anno 2026
is de Pastoor Paquaylaan nog altijd een straat vol beweging, maar het is een andere beweging dan vroeger. Het geluid komt nu vooral van auto’s en verkeer. De drukte van mensen die van café naar café trokken, is verdwenen.

Wie vandaag door de laan rijdt of wandelt, ziet misschien vooral gebouwen en huizen. Maar achter die muren zitten verhalen die nooit helemaal verdwijnen. Verhalen van mensen die daar hun jeugd beleefden, die daar vrienden maakten, die daar verliefd werden of gewoon genoten van een gewone avond die later een mooie herinnering werd.

Want soms is het niet de grote gebeurtenis die ge onthoudt. Het zijn de kleine dingen.

Een frietje uit een puntzak terwijl ge met uw houten prikske door de mayonaise ging. Een cola of een pintje in één van de cafés. De muziek van een jukebox. Het gelach van vrienden. Het gevoel dat ge ergens bij hoorde.

Misschien zijn sommige mensen van toen er niet meer. Misschien zijn sommige stemmen stil geworden. Maar de herinneringen blijven bestaan bij iedereen die die tijd heeft meegemaakt.

En zolang er iemand zegt: “Wa weet ge nog… de Pastoor Paquaylaan?”
Dan komt ze weer even tot leven.
Dan hoort ge in gedachten de muziek, de stemmen en het gelach van vroeger. Aan iedereen die deze verhalen bewaart, die ze doorvertelt en die de herinneringen aan die mooie tijd levend houdt:
Dank u. Want dankzij u blijft de Pastoor Paquaylaan verder leven.
Dank aan 
Ludo Krawinkel &  Jef Elsen voor de info door te geven