
Er was een tijd…
Een tijd waarin een paar warme frankskes in je broekzak genoeg waren voor geluk. Een tijd waarin je als kind niet gewoon naar een winkel ging, maar naar een plek van verwondering. Naar Pinkske. De snoepwinkel van Berkenbos – klein in oppervlakte, groot in herinnering.
Wie ooit kind was in de jaren ’70, kent die naam.
Niet zomaar een winkel, maar een schatkamer.
Een heiligdom van suiker en dromen.
Na school – in het bijzonder aan de lagere school van Berkenbos – zag je klasgenoten met handjes vol snoep: zuurtjes, spekken, kaneelstokken… En als je vroeg waar ze dat allemaal vandaan haalden, kreeg je een geheimzinnige glimlach.
“Bij Pinkske… een stukje verderop in de straat.”
En op een dag trok je zelf, wat vroeger dan gewoonlijk, naar school. Met spanning in je buik, en een paar muntstukken in je hand, soms nog nat van het zweten. Klaar voor je eerste bezoek.
De winkel was smal. De zonwering aan de gevel – gestreept in het geel of rood – hing laag, zodat het binnen lekker donker bleef. De toonbank was van hout, de rand versleten door tientallen kinderarmen die erop hadden gerust. Daarachter: een leger van glazen bokalen, allemaal op een rij, gevuld met schatten. Cuberdons, zure beertjes, Engelse drop, kersensnoep, spekken, hosties… Deksels tikten zacht tegen glas als ze open gingen – een geluid dat nu alleen nog in herinneringen leeft.
De vrouw achter de toonbank kende je nog niet.
“Nog nooit gezien?” vroeg ze vriendelijk.
“Zuur of zoet?”
Met een klein metalen schepje vulde ze een papieren puntzak. Geen plastiek. Geen weegschaal. Gewoon op zicht, op gevoel. En als je durfde vragen: “Mag er nog eentje extra bij voor onderweg?” – dan kreeg je er vaak eentje bij. Want zo ging dat toen.
Maar Pinkske was meer dan snoep.
De winkel had speelgoed – het nieuwste van het nieuwste: rode raketjes met een bommetje in de neus, dat knalde als het de grond raakte. Of boeken: Suske en Wiske, Jommeke, avonturenromans voor jongens en meisjes. Met carnaval hingen er maskers, serpentines, gekke brillen. Elk seizoen had zijn magie.
Achter de toonbank lagen ook de andere waren: sigaretten, sigaren, toebak van Harelbeke of Louis Dwaze. Voor de mijnwerkers. Klisjes en pruimen voor ondergronds, “om te sjieken.”
Want de man van de winkel werkte zelf op de mijn. En zijn vrouw en moeder, die hielden alles draaiende.
Vandaag leven ze alledrie niet meer.
En de winkel? Die is al twintig jaar dicht.
Wat overblijft is een leegstaand gebouw, met een scheefhangende zonnewering en een binnenkant gestript van wat ze ooit was. Binnenkort komen er appartementen. Modern en praktisch.
Maar in de hoofden van wie toen kind was in Berkenbos, blijft Pinkske bestaan.
In de geur van drop, in het kraken van een papieren zak, in het tikken van een glazen deksel.
In het delen van een zuurtje onder een lantaarnpaal.
In heimwee, zacht als spekken.
Anno 2025
Winkels zoals deze bestaan niet meer.
Alles is snel, automatisch, voorverpakt.
Maar Pinkske…
Pinkske was warm, echt, menselijk.
En zolang wij het ons herinneren, blijft ze bestaan.
We vergeten je nooit.
